top of page

TOEKOMSTVISIE OP HET LOKAAL & BINNENLANDS BESTUUR IN VLAANDEREN

>> Veel gestelde vragen over de toekomstvisie (FAQ)

 

  • “Mark Deweerdt (oud journalist DS & De Tijd) stelt de oprichting voor van 30 tot 40 federaties van gemeenten.” 

  • Mark Deweerdt stelde in De Morgen (dd. 18/10/2023) federaties van gemeenten voor, in gebieden van ongeveer 200.000 inwoners. De gemeenten blijven dan behouden maar er komt een bovenlokaal bestuur, naar het model van de Duitse Kreise (en Kreisfreie Städte: de grote steden in Duitsland combineren de lokale bevoegdheden met deze van de Kreise). In dat voorstel zijn dus geen fusies nodig, wel overdracht van bevoegdheden naar Kreise-achtige bestuursvormen. Ook in debatten over het rapport kwam deze suggestie aan bod.

    >> ANTWOORD
    Elke verwijzing naar en zeker elke transplantatie van buitenlandse modellen is gevaarlijk, omwille van andere contexten waarbij verscheiden bestuurlijke en politieke culturen wellicht de belangrijkste zijn. We zijn daar als bestuurskundigen uiterst voorzichtig mee, ook in ons rapport. Onze analyse neemt de Vlaamse context als omgevingsfactor voor de toekomstvisie. 

    In Duitsland zijn de gemeenten gemiddeld een stuk kleiner dan in Vlaanderen, waar de fusie van 1976 al voor grotere lokale besturen heeft gezorgd. Dergelijke grootschalige fusies zijn er in Duitsland tot nu toe niet geweest. In Beieren bv. (12.692.000 inwoners) zijn er 2056 lokale besturen, goed voor gemiddeld 6.173 inwoners. Daardoor en door de weerstand tegen fusie, is de noodzaak tot een bovenlokaal bestuur, de Kreise dus, groot. Omdat de lokale besturen bij ons groter zijn, is de onontkoombare erkenning van de dwingende noodzaak om bevoegdheden over te dragen kleiner dan in Duitsland. Die noodzaak zou er kunnen zijn voor de echt kleine Vlaamse gemeenten (< 10.000 inw.) maar voor gemeenten tussen 10.000 en 20.000 inwoners ligt dat anders. Dat betekent dat overdragen van bevoegdheden heel wat delicater is dan in Duitsland en tot veel meer discussie zal leiden, ook na de overdracht van bevoegdheden. Een federatie van lokale besturen zou voor de hand liggend zijn geweest ten tijde van het debat over fusie in 1976 en werd toen ook als alternatief voor fusie voorgesteld. Finaal is voor een grootschalige fusie gekozen en is het pad van de federaties verlaten (met uitzondering van tijdelijke experimenten met randfederaties rond Brussel). Met overwegend kleine gemeenten zou een federatie niet alleen te verdedigen zijn geweest maar ook meer noodzakelijk zijn geweest, zoals dat in Duitsland nu nog altijd het geval is. Die tijd is echter voorbij en de fusie van 1976 heeft het landschap grondig veranderd.

    In het Steunpunt Bestuurlijke Vernieuwing onderzochten we het alternatief van de federatie, zowel juridisch, politiek als economisch (De Rynck, Schraepen en Voets, 2019). Het eindadvies aan de Vlaamse regering was om dat alternatief niet te gebruiken. In het rapport hebben we dat gemotiveerd, na een toetsing van dit mogelijke alternatief in de regio Kortrijk, die zich theoretisch daartoe zou kunnen lenen, vooral omwille van de sterk uitgebouwde intergemeentelijke samenwerking in de intercommunale Leiedal. De toetsing gebeurde onder andere door focusgroepen met de burgemeesters, algemeen directeurs en de staf van de intercommunale.
    Theoretisch bevat het model van de federatie zeker interessante elementen, dat was overigens ook het motief om dit alternatief grondig te bestuderen. Het vermijdt fusies en het bouwt op het bovenlokale niveau een sterkere democratische legitimering in. Het instrument is ook, zoals Deweerdt aangeeft, opgenomen in de Grondwet en lijkt klaar voor gebruik, mits actualisering van de terminologie.

    De oprichting, organisatie en werking is een bevoegdheid van de gewesten. Over de territoriale afbakening bestaat nog enige juridische discussie maar lijkt er een consensus gegroeid dat dit eveneens tot de gewestelijke bevoegdheid hoort. We gaan er daarom vanuit dat het Vlaamse gewest dit instrument zelf en autonoom zou kunnen gebruiken. We vatten de argumenten samen waarom we dit echter niet wenselijk vinden.

    De oprichting van dertig tot veertig federaties betekent vooreerst de creatie van een volledig nieuwe en federatieve bestuursvorm die helemaal nieuw zou zijn in ons bestuurlijk model, met een eigen administratie, een eigen raad, een uitvoerend college en een eigen voorzitter. Dat is wel wat. Bij een fusie van lokale besturen blijven we binnen het vertrouwde bestuursmodel, weliswaar op een ruimere schaal. 

    De kritiek dat we bij federaties geen 5 maar 30 of 40 mini-provincies zullen creëren, met aparte voorzitters, met eigen uitvoerende colleges, ligt voor de hand, ook al zou ze intellectueel niet correct zijn en gaat het om een andersoortige bestuursvorm dan de huidige provinciebesturen. Het wordt echter wel heel lastig roeien tegen deze beeldvorming, zeker in het huidige politieke klimaat.
    Het invoeren van federaties vergt in elk geval de afschaffing van provinciebesturen. Dat is weliswaar geen juridische vereiste maar lijkt een evidente politieke keuze. Twee verkozen besturen tussen het lokale en het Vlaamse niveau: niemand kan dat verdedigen. Niettemin betekent de creatie van 30 tot 40 federaties wel een gevoelige uitbreiding van de politieke functies in vergelijking met de bezetting van de huidige provinciebesturen.

    De raad van een federatie wordt rechtstreeks verkozen vanuit de lokale besturen, die elk met een bepaald aantal zetels vertegenwoordigd moeten zijn. Bij lokale verkiezingen zijn dan twee stemmen uit te brengen: voor de gemeenteraad en voor de raad van de federatie. Die rechtstreekse verkiezing is nodig omdat een federatie ook eigen belastingbevoegdheid heeft, volgens het huidige model in de Grondwet (‘no taxation without representation’) en omdat een federatie overgedragen bevoegdheden uitoefent, zowel verplicht als vrijwillig overgedragen door zowel de lokale besturen als door het gewest. Het alternatief van indirecte verkiezing (dat dus ook niet voorzien is in het huidige juridische kader) zou onaanvaardbaar zijn voor een dergelijke bestuursvorm en zou uiteraard ook democratische vragen oproepen.

    Vanuit de raad van de federatie, samengesteld op basis van mandatarissen die rechtstreeks verkozen worden in elke gemeente, wordt dan een meerderheid gevormd die het uitvoerend college aanduidt. Dat betekent dat de raad door een andere meerderheid / coalitie kan worden bestuurd dan de lokale besturen en/of centrumgemeenten. Uit onze analyse bleek dat het juridisch onmogelijk is om te waarborgen dat alle burgemeesters ook in het uitvoerende college zouden zetelen. In de huidige burgemeestersconferenties is dit vanzelfsprekend wel het geval. Sommige burgemeesters zullen niet verkozen worden in de raad van de federatie, andere zullen niet in het uitvoerende college zetelen.

    Zowel de verplichte overdracht van bevoegdheden als de uitoefening van die bevoegdheden, dus ook met belangrijke effecten in de inliggende gemeenten, wordt daarom in federaties onvermijdelijk het voorwerp van complexe partijpolitieke relaties en verhoudingen en discussies over macht, beslissingsmacht en bevoegdheden. Het zou immers betekenen dat een federatie beslissingen neemt met grote gevolgen voor de gemeenten die er deel van uitmaken. Het vergt weinig verbeelding om scenario’s te zien opduiken waarbij partijen die in de oppositie zitten in gemeente X maar in de meerderheid in de federatie, op die manier toch zullen willen inbreken in het lokale beleid.

    Federaties zouden bovendien moeten werken met overgedragen middelen van de lokale besturen, met delen van de opbrengst van wat ook de lokale fiscaliteit zou kunnen opbrengen maar die dus niet naar de lokale besturen zou gaan. Dat alles zou de permanente discussies tussen lokale besturen en de federaties versterken.

    Het is vooral omwille van de impact op deze politieke en partijpolitieke verhoudingen tussen lokale besturen en federaties, dat we dit bestuursmodel niet wenselijk achten. We vrezen dat dit op veel plaatsen tot blokkering van de besluitvorming zal leiden, die al zal beginnen bij de discussie over de over te dragen bevoegdheden, over de financiering en vervolgens bij alle aparte besluiten van de federatie telkens omwille van de impact op de gemeenten. Elke stap naar nog meer partijpolitiek en verlammende discussies over bevoegdheden, taakuitoefening en middelen is er een te veel.

    Een elementaire financiële analyse leerde ons overigens dat de federaties sterk van Vlaamse middelen zouden afhangen. Het overdragen van bevoegdheden door de Vlaamse overheid naar een subregionaal niveau voor bovenlokale materies is theoretisch denkbaar, maar het betekent wel een zeer verregaande ontmanteling van de Vlaamse overheid. De Duitse Kreise halen hun bevoegdheid vooral uit de noodzakelijke overdracht van bevoegdheden vanuit kleine gemeenten, in een model waarin meer bevoegdheden dan in Vlaanderen naar de gemeenten zijn gedecentraliseerd. Als gevolg van de staatshervorming zou het in Vlaanderen vooral gaan over radicale decentralisatie vanuit de Vlaamse overheid, bv. voor openbaar vervoer. Een dergelijke ontmanteling van de Vlaamse overheid is ondenkbaar. Het zou bovendien voor grote coördinatielasten zorgen voor de afstemming van beslissingen tussen aparte federaties. Ook om die redenen zijn federaties van gemeenten in Vlaanderen een gepasseerd station en vinden we dat alternatief niet haalbaar. 

    --> Daarom kiezen we in ons rapport voor twee grote dragers: fusies van lokale besturen en een beter gebiedsgericht werkende Vlaamse overheid in onderhandelingen met sterkere lokale besturen en maatschappelijke organisaties. Dat model sluit wel aan bij de specifieke context die door de staatshervorming tot stand is gekomen. Het is een ‘Vlaams model’, zonder import uit het buitenland
     

bottom of page